|
|
|
|
1. Van
Fairest Isle tot Rule, Britannia!
Engelse Barokmuziek
van Engelse Componisten (seizoen 2009)
2. Händel
in Rome
Muziek voor de accademie musicali van de Kardinalen
Pamphili en Ottoboni (seizoen 2009)
3. Giuseppe SAMMARTINI
Concerti grossi, solo concerto's, ouvertures
(seizoen 2009)
4. Corelli transalpino
(seizoen 2010)
5. Giovanni Battista PERGOLESI (seizoen 2010)
6. Familie
Bach
Suites,
concerto's en symfonieën voor strijkers (seizoen
2010)
7. Antonio
VIVALDI, Gloria e Imeneo (seizoen 2011)
|
|
Van
Fairest Isle tot Rule, Britannia!
Engelse Barokmuziek van Engelse Componisten
Op het programma
| Werken van |
Matthew LOCKE |
| |
Henry PURCELL |
| |
John STANLEY |
| |
Charles AVISON |
| |
Thomas Augustine ARNE |
Bezetting
2 hoorns, 3 hobo's, fagot,
strijkers en basso continuo (21
musici).
Duur van het programma
Dit programma kan uitgevoerd worden in één
of twee delen. De duur van het programma kan bepaald worden
in samenspraak met de organisator.
Het pad van de Engelse Barokcomponist was bezaaid met talrijke
obstakels, die voornamelijk gecreëerd werden door de voortdurend
wisselende politieke en sociale omstandigheden: eerst was
er de complete lamlegging van het publieke muziekleven tijdens
de Commonwealth (1649-1660), dan de plotse en gedwongen
introductie van de Franse stijl tijdens de Restauratie (1660-1690),
vervolgens de gestadig groeiende populariteit van de Italiaanse
stijl (1690-1710), en tenslotte de absolute suprematie in
het Engelse muziekleven van Italiaanse muziek en uitvoerders
(1710-1740).
Hoeveel temeer, in deze omstandigheden, blijkt dan niet
het grote meesterschap van componisten als Matthew LOCKE,
die een evenwicht vond tussen oude Engelse en moderne Franse
tradities en praktijken; Henry PURCELL, die een typisch
Engelse sound bereikte via het aansluiten bij lokale dans-
en liedvormen; John STANLEY, die de Italiaanse stijl blijkbaar
beter beheerste dan vele Italianen; Charles AVISON, die
grote vindingrijkheid demonstreerde met zijn originele arrangementen;
en Thomas Augustine ARNE, die als vernieuwer tijdens de
overgangsperiode van Barok naar Klassiek niet moest onderdoen
voor vele van zijn beroemdere tijdgenoten op het vasteland.
Het waren deze componisten die destijds de Engelse nationale
trots uitmaakten en er tot op vandaag blijven voor zorgen
dat de geschiedenis van de Engelse Barokmuziek niet herleid
wordt tot Händel en zijn Italiaanse tijdgenoten.
|
|
Händel
in Rome
Muziek voor de accademie musicali van de Kardinalen
Pamphili en Ottoboni
Op het programma
| Werken van |
Georg Friedrich HÄNDEL |
| |
Giuseppe VALENTINI |
| |
Arcangelo CORELLI |
Bezetting
Sopraan,
2 hobo's, blokfluit,
strijkers en basso continuo (19 musici).
Duur van het programma
Dit programma kan uitgevoerd worden in één
of twee delen. De duur van het programma kan bepaald worden
in samenspraak met de organisator.
Tijdens zijn verblijf te Rome (1706-1709) werkte HÄNDEL
voor meerdere opdrachtgevers: kardinaal Carlo Colonna, voor
wie hij vooral kerkmuziek schreef, Prins Francesco Maria
Ruspoli, bij wie hij kapelmeester was, en de kardinalen
Benedetto Pamphili en Pietro Ottoboni, voor wie hij vooral
cantates componeerde die werden uitgevoerd op de wekelijkse
huisconcerten, accademie of conversazioni genoemd,
die ze aan hun respectievelijke hoven organiseerden. Beide
kardinalen waren ook actief als librettist en hebben dan
ook ettelijke teksten voor opera's, oratoria en cantates
op hun naam staan.
Met dit programma willen Les Muffatti de atmosfeer van deze
huisconcerten terug oproepen, al werd hierbij gekozen voor
de reconstructie van een destijds waarschijnlijk eerder
uitzonderlijke gelegenheid waarop genoeg uitvoerders aanwezig
waren om een orkest samen te stellen. Centraal staan de
cantates Delirio amorso, op een libretto van Pamphili
en Ero e Leandro, voor de welke Ottoboni de vermoedelijke
tekstschrijver is. Het programma wordt verder aangevuld
met enkele concerti grossi van de twee componisten die rond
die tijd te Rome de plak zwaaiden binnen het domein van
de orkestmuziek: Arcangelo CORELLI en Giuseppe VALENTINI.
|
|
Giuseppe
SAMMARTINI (1695-1750)
Concerti grossi, solo concerto's, ouvertures
Op het programma
| Werken van |
Giuseppe SAMMARTINI |
Bezetting
2 hoorns, 2 hobo's, fagot,
strijkers en basso continuo (23
musici).
Duur van het programma
Dit programma kan uitgevoerd worden in één
of twee delen. De duur van het programma kan bepaald worden
in samenspraak met de organisator.
Giuseppe SAMMARTINI (1695-1750) vormt in menig opzicht een
uitzondering in het rijtje van Italiaanse meesters die besloten
om zich te Londen te vestigen en daar een carrière uit te
bouwen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Geminiani en Castrucci
was SAMMARTINI afkomstig uit Noord Italië (Milaan), was
hij een stuk jonger dan zijn collega's, was hij geen violist
maar hoboïst, had hij niet bij Corelli gestudeerd, en kwam
hij pas veel later, in 1728, naar Londen. Net zoals Corelli,
Geminiani en Castrucci echter behoorde ook SAMMARTINI tot
de kennissenkring van Händel - hij was onder meer hoboïst/
fluitist in diens orkest - en ontwikkelde ook hij zich tot
een bijzonder succesvol componist van orkestmuziek, al werd
dit deel van zijn oeuvre pas na zijn dood echt populair.
Tijdens de jaren 1770 en 1780 werden zijn concerto's en
ouvertures te Londen zelfs vaker uitgevoerd dan bijvoorbeeld
de concerti grossi van Corelli. Met uitzondering van het
beroemde concerto voor sopraanblokfluit is de orkestrale
muziek van SAMMARTINI tegenwoordig echter vrijwel onbekend
en dit is bijzonder jammer voor een componist die zo een
belangrijke stempel drukte op het Engelse muziekleven als
overgangsfiguur tussen Barok en Klassiek en voor een oeuvre
dat niet alleen buitengewoon gevarieerd is, maar bovendien
door de 18de-eeuwse Engelse muziekcriticus
Charles Burney reeds werd geprezen als zijnde »vol
wetenschap, originaliteit en vuur«.
Voor dit programma maakten Les Muffatti een drastische keuze
uit SAMMARTINIs talrijke concerti grossi voor strijkers,
soloconcerto's voor hobo, blokfluit, traverso, orgel of
klavecimbel, en ouvertures voor gemengd orkest.
|
|
Corelli
transalpino
Op het programma
| Werken van |
Georg MUFFAT |
| |
Arcangelo CORELLI |
| |
Johann Christoph PEZ |
| |
Francesco GEMINIANI |
| |
Pietro CASTRUCCI |
Bezetting
Strijkers en basso continuo (17 musici).
Duur van het programma
Dit programma kan uitgevoerd worden in één
of twee delen. De duur van het programma kan bepaald worden
in samenspraak met de organisator.
Nog vóór het moment dat Arcangelo CORELLI (1653-1713) uitgroeide
tot Italiës meest gegeerde vioolpedagoog, oogstte hij reeds
internationale faam als de onbetwiste leider en organisator
van alles wat te maken had met de uitvoering van ensemblemuziek
voor strijkers in de stad Rome. Zijn naam werd daarbij steeds
geassocieerd met het concerto grosso, een begrip dat in
essentie duidde op een specifieke, typisch Romeinse instrumentatietechniek,
waarbij een kleine kerngroep van solisten permanent werd
afgewisseld met de voltallige strijkersgroep.
Georg MUFFAT (1653-1704) was in 1680 de allereerste niet-Italiaan
die CORELLI te Rome ging opzoeken en hij was ook de eerste
die vervolgens het concerto grosso ten Noorden van de Alpen
introduceerde met de publicatie van zijn baanbrekende bundel
Armonico Tributo (Salzburg, 1682). Enkele jaren later
ging ook de Münchense componist Johann Christoph PEZ (1664-1716)
een tijdlang bij CORELLI in de leer (1689-92) om daarna
de nieuwe orkestratietechniek toe te passen in eigen werken,
zoals de schitterende Concert Sonata in F. Het is
overigens goed mogelijk dat PEZ in 1689 te Rome de uitvoering
bijwoonde van Luliers oratorium Santa Beatrice d'Este,
waarvoor CORELLI de inleidende Sinfonia schrijf, het vroegste
orkestrale werk dat van hem bewaard bleef.
Het grote internationale succes van het nieuwe genre kwam
er echter pas na de postume publicatie van CORELLIs eigen
Concerti grossi Opus 6 in 1713. Dat Londen in de
daarop volgende decennia uitgroeide tot het nieuwe centrum
bij uitstek van het Romeinse Corelliaanse concerto grosso,
had onder meer te maken met feit dat er in deze stad een
aantal studenten van CORELLI werkzaam waren, met name Francesco
GEMINIANI en Pietro CASTRUCCI, die de muziek van CORELLI
vurig propageerden. GEMINIANI maakte daarbij zelfs tal van
arrangementen voor orkest van CORELLIs kamermuziek, waaronder
ook de beroemde variaties op La Follia. Zowel hij
als CASTRUCCI schreven echter ook eigen concerti grossi
die qua stijl niet alleen de invloed van hun leermeester
verraden, maar tevens die van Georg Friederich Händel, die
op dat moment de onbetwiste leider was van het Londense
muziekleven.
|
|
Giovanni Battista PERGOLESI
Op het programma
| Giovanni Battista PERGOLESI |
Vioolconcerto in Bes |
| |
Cantate Orfeo voor sopraan, strijkers en basso continuo |
| |
Stabat mater voor sopraan, alt, strijkers en basso continuo |
Bezetting
2 zangers (S, A),
1 solo viool,
strijkers en basso continuo
(14 musici).
Duur van het programma
90 minuten.
Dit programma is helemaal gewijd aan één van de weinige componisten uit de Barokperiode van wie werken tot op heden onafgebroken worden bewonderd en uitgevoerd. Giovanni Battista PERGOLESI (1706-1736), de componist in kwestie, vertoeft in dit opzicht in het selecte gezelschap van een Georg Friedrich Händel bijvoorbeeld; alleen, deze laatste werd wel bijna driemaal zou oud als PERGOLESI en componeerde ontelbaar keer meer muziekwerken dan zijn veel jongere Napolitaanse collega. Men kan zich dus alleen maar inbeelden wat de impact van PERGOLESI op de muziekgeschiedenis zou zijn geweest, indien de componist niet op 26-jarige leeftijd zou zijn overleden. De bijzonder hoge kwaliteit van PERGOLESI’s muzikale productie, bevat in een periode van nauwelijks zes jaar, grenst waarlijk aan het ongelofelijke voor een componist die naar het schijnt bovendien geplaagd was door fysische misvorming en door tuberculose, de ziekte die hem tenslotte fataal zou zijn. Hij werd tijdens de jaren 1720 opgeleid aan het Conservatorio dei Poveri di Gesù Cristo te Napels en verwierf daarna vooral faam als operacomponist. Hij speelde met name een belangrijke rol in de vroege ontwikkeling van de opera buffa. Ook in de geestelijke muziek echter vond PERGOLESI een geschikt werkterrein om zijn muzikaal genie ten volle tot ontplooiing te laten komen.
Van PERGOLESI worden tegenwoordig slechts een paar werken geregeld ten gehore gebracht. Deze werken, het Stabat mater, het Salve Regina en La serva padrona, zijn precies de composities waarmee PERGOLESI reeds meteen na zijn dood grote internationale faam verwierf en verkrijgen dus op die manier eigenlijk slechts de aandacht die hen toekomt. Toch valt het te betreuren dat daardoor de rest van zijn toch al met al kleine oeuvre wat minder belicht wordt. In het eerste deel van het voorliggende programma zetten Les Muffatti daarom een tweetal composities centraal die elk op hun manier representatief zijn voor twee minder bekende onderdelen van dit oeuvre.
Het briljante concerto voor viool in sib groot, één van de weinige instrumentale werken die überhaupt van hem bewaard bleven, herinnert ons aan het feit dat PERGOLESI op de eerste plaats als violist was opgeleid en tijdens zijn korte leven ook als vioolvirtuoos werd bewonderd. Gezien de hoge compositorische kwaliteit van dit concerto — het is ongetwijfeld één van zijn beste instrumentale werken — en de technische eisen die aan de solist worden gesteld, kan men zich goed voorstellen dat PERGOLESI wellicht zelf dit werk ooit heeft uitgevoerd en er grote successen mee boekte bij zijn adellijke publiek. De twee snelle bewegingen zijn geschreven in de typisch Napolitaanse galante stijl van de ontluikende symfonie, terwijl de tweede beweging, een langzame siciliana, verwijst naar het pathos van de opera.
PERGOLESI schreef niet minder dan vijf operie serie, twee commedie musicali en drie komische intermezzo, waarvan alleen la serva padrona eeuwige roem zou verwerven. Daarnaast schreef hij echter ook tenminste vijf cantates voor één zangstem, strijkers en continuo en wellicht is het precies via dit genre dat we het makkelijkst in contact kunnen komen met het wereldlijke dramatische repertoire van een kunstenaar die, zoals eerder vermeld, tijdens zijn veel te korte carrière toch ook vooral als operacomponist bekendheid genoot. De cantate Nel chiuso centro — in sommige bronnen ook gekend onder de naam Orfeo wordt beschouwd als één van PERGOLESI’s laatste werken. Ze werd in 1736, het jaar van zijn overlijden, samen met drie andere cantates te Napels gepubliceerd. Met het eerste recitativo accompagnato worden we meteen ondergedompeld in het grote verdriet van de treurende Orpheus en de dreigende donkerte van de onderwereld. Twee aria’s en een recitatief later eindigt de cantate in de vastberadenheid van Orpheus om liever alle kwellingen van de onderwereld te ondergaan dan zijn geliefde Euridice te verlaten. Nel chiuso centro vormt dus als het ware een soort mini opera seria met tal van contrasterende affecten en technieken.
In de loop van de geschiedenis heeft het Stabat mater componisten herhaaldelijk geïnspireerd tot het schrijven van enkele van de meest ontroerende en beklijvende muziekwerken. Op zich is dit wellicht geen verrassing gezien het feit dat de hele tekst gebouwd is rond kernwoorden zoals pijn, tranen, zuchten, triestheid, vernietiging, kwelling en dood. Hoe kan men overigens onverschillig blijven bij het lijden van een moeder die getuige is van de doodstrijd van haar zoon? De sequens, van Middeleeuwse oorsprong en verboden door het concilie van Trente (1545-1563) wegens een overdadige uitwerking voor gebruik in de liturgie, werd in 1727 door Paus Benedictus XIII terug in ere hersteld als vast onderdeel van de liturgie voor de Passietijd, meer bepaald op Goede Vrijdag.
PERGOLESI’s zetting van het Stabat mater is zonder enige twijfel één van de meest beroemde: het is ook een bijzonder dramatische zetting, in matuur galante stijl, sierlijk en gedistingeerd en vol intensieve emotie. Het Stabat mater en het niet minder bekende Salve Regina vormen PERGOLESI’s allerlaatste meesterwerken, in enkele weken geconcipieerd binnen de muren van het franciscaner klooster van Pozzuoli, waar de componist uiteindelijk ook zou sterven. |
|
Familie
Bach
Suites, concerto's en symfonieën voor strijkers
Op het programma
| Werken van |
Johann Sebastian BACH |
| |
Carl Philipp Emanuel BACH |
| |
Johann Bernhard BACH |
Bezetting
Strijkers en basso continuo (18 musici).
Duur van het programma
Dit programma kan uitgevoerd worden in één
of twee delen. De duur van het programma kan bepaald worden
in samenspraak met de organisator.
Er is wellicht geen andere familie in de Westerse muziekgeschiedenis
die zoveel uitmuntende musici en componisten tot zijn leden
kan tellen als de familie Bach uit Thüringen in Centraal
Duitsland. De Bachs waren muzikaal actief van het midden
van de 16de eeuw tot ver in de
tweede helft van de 19de eeuw.
Er is dan ook dermate veel interessante Bach muziek voorhanden
dat het ontwikkelen van een samenhangend concertprogramma
waarin men literatuur van meer dan één lid van de familie
aan bod wil laten komen, tot bijzonder moeilijke keuzes
leidt. Met het voorliggende programma beperkten Les Muffatti
zich tot composities voor strijkorkest van een drietal belangrijke
»barokke Bachs«. Centraal staan, hoe kan het
ook anders, enkele bekende orkestwerken van Johann Sebastian
(1685-1750), hier gebracht in hun oorspronkelijke versie
voor strijkers. Maar ook werk van Sebastians neef Johann
Bernhard (1676-1749), wiens suites in vermischter Geschmackheel
sterk aanleunen bij de muziek van Georg Philipp Telemann,
komt in dit programma aan bod, alsook van Sebastians tweede
zoon — en Telemanns petekind — Carl Philipp Emanuel (1714-1788),
wiens symfonieën voor strijkers uit de vroege jaren 1770
zowat een inventaris vormen van alle gemoedschakeringen
die tijdens deze periode van de Empfindsamkeit en
de ontluikende Sturm und Drang in muziek konden worden
weergegeven.
|
|
Antonio
VIVALDI, Gloria e Imeneo
Op het programma
| Antonio VIVALDI |
Gloria e Imeneo (Venetia,
1725) |
Bezetting
2 zangers (S, A),
strijkers en basso continuo (17 musici).
Duur van het programma
65 minuten, zonder pauze.
Dit programma kan echter desgewenst ook uitgevoerd worden
in twee delen, aangevuld met enkele instrumentale werken
van VIVALDI.
Tijdens de jaren 1720 componeerde Antonio VIVALDI,
toen reeds één van Italiës bekendste
en meest gegeerde componisten, drie serenate ter
ere van het Franse koningshuis. Eén ervan, in een
zetting voor mezzosopraan, alt en strijkorkest, is het werk
dat nu gekend staat onder de naam Gloria e Imeneo.
De precieze titel — alsook de originele inleidende sinfonia — is echter niet gekend omdat het eerste katern in het oorspronkelijke
manuscript ontbreekt. Wel is geweten dat Gloria e Imeneno besteld werd ter gelegenheid van het huwelijk van Lodewijk
XV met de Poolse prinses Maria Leszczynska en uitgevoerd
werd op de avond van 12 September 1725 in de tuin van de
Franse ambassade te Venetië. Zoals dit bij de meeste serenate destijds het geval was, is ook hier niet
echt sprake van een echt plot. De twee protagonisten, met
name Hymen, de God van het huwelijk en Gloria, de personificatie
van de eeuwige roem, wedijveren slechts in het bejubelen
van de briljante en nu dus verzekerde toekomst van de Franse
monarchie en in het toesturen van gelukwensen, in de meest
bloemrijke bewoordingen, aan het jonge koninklijke koppel.
Het toch wel duidelijke gemis aan dramatische
inhoud in het libretto van Gloria e Imeneo wordt
ruimschoots gecompenseerd door de bijzonder hoge kwaliteit
van de muziek. We hebben hier namelijk te maken met VIVALDI
op zijn allerbest: zo wisselen in de aria's virtuositeit,
elegantie, ontroering en dramatische zeggingskracht met
elkaar af zoals dit enkel in zijn sterkste opera's het geval
is. Enkele aria's krijgen zelfs zonder meer het allure van
heuse meezingers, zoals de onvergetelijke melodieën
uit zijn bekendste concerti. De recitatieven daarentegen
zijn kort en pittig en leiden geenszins de aandacht af van
wat voor VIVALDI en zijn Franse sponsoren hier duidelijk
de hoofdbedoeling was: een dik uur lang genieten van zalige,
spetterende en meeslepende Barokmuziek.
|
|
|
|
|